|
Nieuwe medewerkers
Rudi van Etteger blikt terug en kijkt vooruit
Ik heb in Wageningen gestudeerd van 1984-1990 en ben afgestudeerd in de oriëntatie ruraal op de relatie tussen hydrologische systeemanalyse en cascoplanning met als specifieke focus het gebied rondom Breda. Deze studie vormde samen met een aantal andere projecten van jaargenoten een van de bouwstenen voor de promotie van Michael van Buuren enkele jaren later. Na mijn studie ben ik begonnen bij de Heidemij (nu Arcadis) en heb daar een zeven jaar als landschapsarchitect gewerkt aan allerlei projecten rondom dijkversterking, aanleg van infrastructuur en landschapsbeleid van vooral kleine gemeenten in het landelijk gebied van Oost-Nederland. Vervolgens heb ik enkele jaren bij het ministerie van Landbouw gewerkt aan onder andere de voorbereiding van de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor de Natuur. De overstap naar het ministerie van VROM was niet zo groot en daar heb ik enkele jaren met veel plezier gewerkt aan de voorbereidingen van de Nota Ruimte in de sfeer van Nationale Landschappen en het bufferzonebeleid en aan zaken rondom Ruimte voor de Rivier. Het laatste grote project waar ik aan gewerkt heb was het ontwikkelingsplanologieproject IJsseldelta. Gedurende de periode dat ik bij LNV en VROM werkte ben ik begonnen om in deeltijd wijsbegeerte te studeren, waardoor ik reflectie heb kunnen plegen op het vak landschapsarchitectuur vanuit de zijlijn. Ik verwacht deze studie binnen enkele jaren af te kunnen ronden.
Mijn blik op het onderwijs
In een artikel in de Blauwe Kamer heb ik gereageerd op een artikel van een van mijn huidige collega’s, Paul Roncken. In die reactie heb ik mij kritisch uitgelaten over het onderwijs in de landschapsarchitectuur in Wageningen. Mijn referentiekader was natuurlijk het onderwijs dat ik daar zelf genoten heb en gelukkig zijn er sindsdien wel dingen veranderd. Inhoudelijk kwam mijn kritiek er vooral op neer dat de aandacht in Wageningse opleiding wel erg gericht is op de natuurwetenschappelijke grondslagen in het vak en te weinig oog had voor de artistieke kant van het vak. Vitruvius geeft ons drie criteria voor de kwaliteit van architectuur: Functionaliteit, Duurzaamheid en Schoonheid.
Landschapsarchitecten uit de Wageningse school zijn vooral in de eerste twee thema’s goed geëquipeerd. Op het derde thema heersen vooral de impliciete persoonlijke preferenties. De eerste twee thema’s zijn echter ook de velden waarin andere beroepsgroepen hun eigen veld van kennis hebben. Landschapsarchitecten zeggen zich daarin te onderscheiden door het integrale karakter van hun werk via triplex analyse en lagenbenadering. Vooral ook kennis op het derde terrein van de schoonheid zou onderscheidend kunnen werken en een toegevoegde waarde kunnen hebben in planprocessen. Natuurlijk moeten we daarbij de eerste twee aspecten niet vergeten, maar nu ligt het accent wel heel zwaar op de eerste twee aspecten. De training die landschapsarchitecten krijgen in de artistieke kant van het vak is veelal impliciet via de begeleiding in de practica. Het zou in mijn optiek geen kwaad kunnen hieraan meer aandacht te besteden bijvoorbeeld door de ontwikkeling van een collegereeks esthetica voor landschapsarchitecten. Een bezwaar dat hiertegen ingebracht kan worden is het dictum van Barnett Newman: “Aesthetics is to artists, what ornithology is to birds”. Voor dat deel van de landschapsarchitecten van Wageningse komaf, dat in beleidsfuncties terecht komen, is het echter beslist een vereiste dat zij zich op een meta-esthetisch niveau over ontwerpen kunnen nadenken. Bovendien zal een filosofisch kader ook voor uitvoerende architecten een opening van het perspectief geven. Kennis over dimensies van het schoonheidsbegrip kleurt ook de waarneming van de wereld. Er is in de filosofische literatuur een wereld aan begrippen en gedachten over de positie van wetenschap, maar ook over de kunst, de kunstenaar en de rol die schoonheid in welke vorm dan ook daarin speelt. Ik hoop deze kennis voor de studenten en vakgenoten toegankelijk te maken.
Mijn taak binnen de leerstoelgroep
Mijn taak binnen de leerstoelgroep bestaat voor 50% uit onderwijs en 50% uit onderzoek. De onderwijstaak richt zich op het onderwijs in de brede zin dus van het verzorgen van colleges tot het begeleiden van practica en afstudeerders. Mijn onderzoekstaak zal zich de komende jaren vooral richten op een promotieonderzoek waarin het ontwikkelen van een esthetisch kader specifiek voor de landschapsarchitectuur wat mij betreft centraal staat. Daarnaast heb ik natuurlijk 15 jaar ervaring in landschapsarchitectuur om terug te geven aan de studenten op verschillende schaalniveaus, van die ene boom op het erf langs de nieuwe dijk tot aan de kernkwaliteiten en doelen van nationale landschappen in Nederland. Ik hoop dat ik op deze wijze zowel de waardevolle erfenis van de Wageningse School door kan geven, als een impuls kan bieden aan de verdere ontwikkeling van het vak.
Deze aanstelling en de grotere aandacht voor promoties passen in het beleid om de landschapsarchitectuur in Wageningen meer academische diepgang te verlenen. Theoretische ontwikkeling van het vak is een must in een context die in toenemende mate een internationale context is, zowel qua herkomst van de studenten in Wageningen als qua werkterrein van Nederlandse landschapsarchitecten. De goede naam die we hebben in het buitenland, die vooral is opgebouwd op de kwaliteit van de individuele landschapsarchitecten moet nu worden onderbouwd met een theoretisch fundament zodat we niet alleen de juiste dingen doen, maar ook inzicht hebben in de redenen waarom dat de juiste dingen zijn, zodat als de context zich wijzigt we de juiste dingen kunnen blijven doen. De aanwijzingen voor deze veranderende context zijn dagelijks in de krant te vinden: de veranderende houding ten opzichte van wonen in het groen, een veranderende betekenis van de landbouw in Europa en daarmee een gewijzigde opgave voor de landschapsarchitect in Nederland en daarbuiten, om er maar een paar te noemen.
Wageningen is in de Studiegids Hoger Onderwijs qua overallscore op de eerste plaats beland en de richting landschapsarchitectuur mag niet over aandacht klagen, zowel qua instroom op bachelors niveau, als op mastersniveau. Daar is ook de groeiende internationale belangstelling voelbaar. In het masters-atelier van dit moment zijn studenten aanwezig uit de bredere Europese context (Frankrijk, Duitsland, Rusland en Polen), maar ook uit Canada, Taiwan, China en Argentinië.
De ontwikkeling van de Alumnivereniging kan daarbij een belangrijke impuls zijn voor de vakwereld om meer te participeren in het onderwijs en voor het onderwijs om zich naar buiten te richten (de vakgroep komt naar je toe deze zomer). Ik zal in het kader van mijn promotieonderzoek ook praktiserende landschapsarchitecten bezoeken en hoop daarbij een beroep te kunnen doen vanuit de onderwijs praktijk op de vakgenoten in de ontwerpende praktijk.
|